Mijn ideale welzijnsorganisatie

Mijn ideale welzijnsorganisatie.

Stiekem heb ik wel eens gewenst dat ik een nieuwe welzijnsorganisatie zou mogen oprichten. Gewoon vanuit het niets helemaal van onderaf opbouwen. Om alle inzichten in te kunnen stoppen en zo een voorbeeld te hebben van hoe het wel kan. Flauwekul natuurlijk want niemand heeft de wijsheid in pacht.

Zou ik overigens de boreling wel ‘welzijnsorganisatie’ willen noemen? Liefste zou ik kiezen voor een naam die gelijk duidelijk maakt aan mijn klant wat hij of zij bij mij kan halen.

De klant is voor mij de afnemer van mijn diensten, de gebruiker, dus, zoals je wilt de burger. Wat kan die klant dan bij mij halen? Hulp bij gelukkig zijn, gezond zijn, lekker wonen en sociale contacten als de klant daar zelf niet uitkomt. Ik wil gaan voor een duurzame relatie. Ik wil vooraan in de rij staan als mijn klant er zelf niet uitkomt. Als mijn klant nog jong is wil ik hem helpen te spelen met andere kinderen als hij zelf gepest wordt. Als mijn klant later zelf kinderen heeft help ik hem als hij zich zorgen maakt over de veiligheid in de buurt. Als de kinderen al de deur uit zijn en zijn partner overlijdt en hij stikt van verdriet wil ik hem helpen met zijn rouw.

Helpen is voor mij niet zijn probleem overnemen maar als een raadsman en vertrouweling terzijde te staan. Ik kan helpen door mijn klant te verbinden met zijn eigen kracht en de kracht van mensen om hem heen. De mensen om hem heen zijn familie, vrienden, buren, vrijwilligers en andere professionals.

Wie betaalt mij voor mijn hulp? Met mijn hulp lever ik waarde en die waarde kan ik vertalen in een prijs. Het liefste wil ik dat diegene die de waarde ontvangt ook zelf die prijs betaalt. Dus ik stuur een rekening naar mijn klant. Als mijn klant de waarde in verhouding tot de prijs als eerlijk ervaart zal hij de rekening betalen.

Ik zorg ervoor dat ik diensten heb ik verschillende prijsklassen. Een instapdienst zoals bijv. een teleseminar waarin ik wel 100 klanten tegelijk 7 tips kan geven hoe om te gaan met rouw. Tegen weinig kosten lever ik waarde die ik kan vertalen in een kleine prijs. Een stap verder biedt ik online hulpverlening, geen reiskosten of dure gespreksruimten dus ook dan kan ik met minder kosten nog steeds waarde leveren en een redelijke prijs vragen. Natuurlijk heb ik ook mijn high-end product: een exclusief pakket van 6 individuele hulpverleningsgesprekken, waarde voor een volle prijs. De waarde in elke vorm van diensten staat voorop!

Als mijn klant zelf niet genoeg geld heeft om de rekening te betalen zoekt mijn klant zelf naar andere manieren om toch te kunnen betalen. Misschien kan mijn klant zelf ergens waarde leveren voor een prijs waarmee hij mijn prijs weer kan betalen. Misschien kan mijn klant met mijn rekening naar de gemeente gaan en de gemeente vragen om te betalen, of de verzekering. Of kan familie de rekening betalen. Ik denk graag met mijn klant hierover mee.

Nu heb ik het steeds over ‘ik’ en als ik het heb over een nieuwe welzijnsorganisatie gaat het natuurlijk eigenlijk over ‘wij’. Dan heb ik welzijnswerkers in dienst die wellicht denken: “het zal wel met die waarde en prijs, ik wil gewoon maandelijks mijn loon”. Op dit punt begin ik te twijfelen. Hoe verbind ik loon aan waarde? Ga ik dan toch naar de gemeente en zeg ik “jij wilt gelukkige burgers, die waarde ga ik leveren maar dan moet je wel eerst de prijs op mijn rekening storten zodat ik gegarandeerd lonen kan betalen”. En wie bekommert zich daarna nog om de waarde? Of heb ik voor welzijnswerk zoals ik het hier schets helemaal geen organisatie nodig? Er zijn inmiddels steeds meer mensen die in een waarde-economie, de society 3.0, geen plek meer zien voor hiërarchische organisaties.

Kortom, de wijsheid heb ik inderdaad niet in pacht. Wel inzicht in dat het anders moet en kan. En wat is jouw idee? Hoe ziet jouw ideale welzijnsorganisatie er uit? Hieronder bij de reacties kun je jouw ideeën kwijt.

Duivels dilemma

Een klassieke strijd tussen hoofd en hart is voor een welzijnsorganisatie soms gelegen in meer of minder: zeg ik ‘ja’ tegen die (extra) opdrachten of zeg ik nu dit keer toch echt maar eens ‘nee’? Welzijn Buren heeft ‘ja’ gezegd.

Welzijnsorganisaties zijn erg flexibel. Dat is voor een deel te verklaren vanuit onze historie. In een decennia lange zoektocht naar de essentie van het welzijnswerk passeren diverse inzichten de revue. Welzijnsorganisaties hebben geleerd om mee te bewegen. Moeten professionals meer afstand houden? Prima, we bouwen kantoren en zetten ze achter de computer. Moeten de professionals de straat weer op? Ook goed, we breken de kantoren weer af en sturen ze de straat op. Overigens, veroordeel ik dit niet: we zijn per slot van rekening allemaal kinderen van onze tijd.

Het meebewegen heeft ons sterk gemaakt: we zijn echte overlevers. Maar het meebewegen heeft ons ook zwak gemaakt: wat willen we nu zelf?

Welzijn Buren heeft deze zomer van twee bestaande opdrachtgevers extra opdrachten gekregen die moeten worden uitgevoerd. Vooralsnog van september tot einde dit jaar. Leuke klussen: vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en de makelaarsfunctie maatschappelijke stage.

Mijn hoofd zegt:

• Hebben we wel voldoende kennis in huis hiervoor?

• Waar haal ik de mensen vandaan om dit uit te voeren?

• Zijn uren en budget voldoende om de afgesproken prestaties te leveren?

• Zijn er voldoende zekerheden voor 2011 om hiermee verder te kunnen?

Mijn hart zegt:

• Wat een eer dat we deze opdrachten gegund krijgen!

• Fijn dat we de inwoners van deze gemeenten nu ook met deze diensten kunnen ondersteunen!

• Wat zullen mijn medewerkers blij zijn met deze nieuwe uitdagingen!

• En nu lukt het zeker om de begroting sluitend te krijgen!

We hebben ‘ja’ gezegd en zijn erg blij met de nieuwe opdrachten. Heeft het hart het dan gewonnen van het hoofd? Nee, zo zie ik het niet. Ik denk dat het ons redelijk lukt om ons hart en hoofd bij elkaar te houden en zo te ontsnappen aan het duivelse dilemma. Want daar zit volgens mij de clou.

Als je het hart uitschakelt verliezen we onze passie. Soms kom ik bij welzijnsorganisaties waar dit is gebeurd. Kille zakelijkheid, angst en wantrouwen overheersen. De werkers doen hun ding en that’s it. Een dodelijke omgeving voor vooruitgang en innovatie. Als je het hoofd uitschakelt verliezen we onze scherpe blik, afstemming met onze omgeving en zien we niet meer wat er om ons heen gebeurt. Voorwaarde om hoofd en hart te kunnen verbinden is het hebben van een focus. Alleen dan kun je keuzes maken.

Welzijn Buren gaat vol vertrouwen het najaar in. We hebben een keuze gemaakt en houden onze focus scherp. En mocht je zin hebben om samen met ons de schouders te zetten onder onze nieuwe opdrachten, kijk dan even hier voor de vacatures (update 23-8: de vacatures zijn inmiddels vervuld).

#transitie

Eind juni heb ik wederom deelgenomen aan een bijeenkomst van het transitieprogramma duurzame zorg. Ik maak jullie graag deelgenoot. De eerste tweets hebben betrekking op de inleiding door Jord Neuteboom. Daarna neemt Kim Putters het woord.

Wat is zorg? Liefde aandacht hulp presentie… #transitie

Probleem van de zorg nu zijn de verbroken verbindingen. Tussen lichaam en geest verzorgende en verzorgde #transitie

Er is een maatsch transformatie van overleven naar langer leven naar bewust leven #transitie

Er is vertrouwenscrisis in de zorg: 93% vindt dat het anders moet. #transitie

Transitie visie: mensgericht economisch volhoudbaar maatschappelijk ingebed #transitie

Mensenzorg: ont-wikkelen (mensen) ont-regelen (organisaties) en ont-schotten (samenleving) #transitie

Van harnas naar zomerjurk #transitie

Nu prof. dr. Kim Putters: de winst van zorgvernieuwing #transitie

Bij vernieuwing in de zorg wordt meestal gedacht in systemen logistiek en structuren #transitie Staat ver af van mensen die er werken.

Dominante trends innovatie zorg: vergrijzing nieuwe ziekten jongeren niet geïnteresseerd vermaatschappelijking bezuinigingen #transitie

Doordat er voor zorg steeds meer verbindingen komen naar aanpalende domeinen kruipt zorg terug in de eigen koker. Angst/innovatie #transitie

Innovatie zorg vraagt om lef risico nemen en verschil toestaan wil tot samenwerken #transitie

Zaal reageert verontwaardigd bij verhaal waar blijkt dat schot tussen AWBZ en Wmo-financiering mensen niet helpt #transitie

VWS wil innovatie stimuleren, maar wil liefst vooraf weten wat eruit komt! Kim vraagt of de overheid wel juiste partij hierbij is #transitie

Bevorderende factoren innovatie zorg: gevoel van urgentie aanwezig van change-agents slimme strategie door klein te beginnen #transitie

Belemmerende factoren innovatie zorg: o.a. onenigheid en weerstand bij professionals #transitie

Als dat klopt, dan gebeurde het al! RT @annekekrakers: vertrouwenscrisis in zorg: 93% vindt dat het anders moet. #transitie, leonvincken

Conclusie Kim Putters: innoveren op duivelselastiek: spanning sturing-toezicht vraag-aanbod verwachtingen- verantwoording #transitie

Hier nu echt de laatste loodjes voor vakantieaftocht. Nog even stoeien met twapperkeeper om tweets #transitie te kunnen pakken voor blog.

Fijne vakantie ook voor jullie!

Toekomstagenda Sociaal Werk: de burger aan het stuur

De Toekomstagenda van het Sociaal Werk bestaat naar onze mening uit DE ontschotting tussen zorg en welzijn. Burgers, klanten van zorg en welzijn, zullen daar erg blij van worden. Want zij moeten zelf aan het stuur komen.

Om met de woorden van Jos van der Lans te spreken: het zal de burger een worst wezen waar hulp vandaan komt. Onderzoek door WelzijnNederland bevestigt dit: Nederlanders gooien zorg en welzijn op één hoop. Bijna de helft van de Nederlanders (47,8%) is onbekend met het welzijnswerk. Jongeren van 15 tot 24 kennen het welzijnswerk het minst (57,3% is onbekend), ouderen van 65 jaar en ouder kennen het welzijnswerk het beste (59% is bekend).

Wanneer Nederlanders wordt gevraagd naar wat volgens hen het welzijnswerk inhoudt volgt een bonte stoet van omschrijvingen. Bijna 12% is eerlijk en zegt geen idee te hebben. De overige ondervraagden geven omschrijvingen waaruit blijkt dat voor de meeste Nederlanders er geen wezenlijk verschil is tussen zorg en welzijn. Een van de ondervraagden noemt het welzijnswerk “de leuke kant van de zorg”. Veel Nederlanders denken ook dat welzijnswerk er vooral voor ouderen is.

Toekomstagenda Sociaal Werk

Het welzijnswerk moet op de schop. De keuze voor de term Sociaal Werk wordt gemaakt omdat dit beter het brede terrein weergeeft waarin de professional zich beweegt. Welzijn en zorg zijn daar onderdelen van. De welzijnssector heeft de ambitie met sociaal werk de zorg voor mensen te voorkomen, te vervangen of uit te stellen. (Marijke van Steenbergen, MOVISIE).

Transitieagenda Duurzame zorg

De zorg is er ook van doordrongen dat het fundamenteel anders moet. De Transitiearena langdurende zorg stelt, dat de zorg meer mensgericht moet, economisch verantwoord en maatschappelijk ingebed. Het Transitieprogramma laat zien dat dit kan. De sterke ontwikkeling van de informele zorg is een van de rode draden en sluit daar goed bij aan. In een zorgzame samenleving gaat het vooral om het verbinden van de zorg met andere domeinen (zoals welzijn en wonen) om ze onderdeel van het leven van de burger te maken.

De gedreven professional is de verbindende factor en werkt in faciliterende organisaties. Hij laat zijn professie met vanzelfsprekendheid gepaard gaan met sterke sociale vaardigheden, kennis en gebruik van moderne digitale middelen en technologie. De professional is in staat om zich te laten sturen door de burger, werkt samen en gaat daarbij soepel over bestaande grenzen.

Eb en vloed

We kunnen de domeindiscussie achter ons laten als we de burger centraal stellen. Professionals nemen de burger en zijn zelfredzaamheid als uitgangspunt en houden hun eigen expertise als het ware in de achterzak. Het is als meebewegen met eb en vloed: soms is de vraag groot en soms is die klein; soms ver weg en soms dichtbij; soms meer op welzijn gericht en soms meer op zorg. Absolute voorwaarde is dat de professional (en de samenleving) de burger vertrouwt: in het zelf regie voeren over zijn hulpvraag en in de onderlinge hulpvaardigheid van burgers. Onder invloed van de Wmo groeit deze samenredzaamheid en is er soms alleen nog lichte ondersteuning nodig.

Transitie

De transitie als een beweging naar een fundamenteel andere structuur, cultuur en werkwijze, moet nu worden versneld. De beleidsagenda’s van Welzijn en Zorg dienen met elkaar te worden verbonden. Er moet meer ruimte komen om te experimenteren en daarmee ook ruimte om te mislukken. Bestaande innovaties moeten uit het circuit van projectsubsidies komen en worden verbreed en opgeschaald met regulier geld. Bovenal moeten burgers zelf aan het stuur komen. De Wmo slaagt daar tot nu toe onvoldoende in maar we zien voldoende kansen als de professional en de burger een relatie op basis van wederkerige waardering aangaan.

Zorg 2.0 en Welzijn 2.0

Die burgers, klanten van zorg en welzijn, zijn ook te vinden op het internet. Het web 2.0 is een invloedrijk platform waar de ontschotting en verbinding tot stand komt. Professionals en burgers treffen elkaar daar. De twitterdokter en de hyves van de jongerenwerker zijn een krachtig signaal dat de transitie hier en nu al op gang is gekomen. Dominantie door kennis, status of beroep is daar niet aan de orde. Kennis delen, hulpvaardigheid en menselijkheid zijn de norm. En dat sluit perfect aan bij onze toekomstagenda’s waarbij de burger centraal staat. We ontmoeten u graag daar om verder te praten.

De auteurs

Julia Wittmayer is onderzoeker en adviseur, verbonden aan het Dutch Research Institute for Transitions (DRIFT) en houdt zich onder ander bezig met de transitie naar een duurzame zorg. Transities zijn fundamentele veranderingen van cultuur, structuur en werkwijze van een regio of een maatschappelijk domein die een lange termijn vergen.

Anneke Krakers is sinds 2000 werkzaam als directeur bij een kleine welzijnsorganisatie. Als maatschappelijk ondernemer maakt ze zich sterk voor de welzijnsbranche op lokaal en regionaal niveau en sinds eind 2007 ook op landelijk niveau. Haar onderneming WelzijnNederland helpt welzijnsorganisaties en welzijnswerkers bij hun marketing en profilering.

Verschil maken

En opeens weet ik het: waar deze blog over moet gaan! Dit gaat over jullie. Ik ontmoet regelmatig zeer inspirerende mensen die met enorme inspiratie zich inzetten voor Welzijn Nieuwe Stijl of de tweede fase van de Wmo. Maakt nu even niet zoveel uit hoe je het noemt. Mensen die een verschil kunnen maken.

Afgelopen woensdag nog had ik een boeiende en hartelijke ontmoeting met Jeroen den Uyl (we zijn aan elkaar voorgesteld door Hans Versteegh). Het gesprek ging over ‘belief’, power, liefde en broederschap. Jeroen gelooft in netwerken: hij heeft een leernetwerk WIJKEN opgericht. Een netwerk van professionals die samenwerken aan wijkaanpak. Ik besloot meteen dat ik hem het boek van Heinz Schiller op ga sturen.

Heinz is ook zo iemand die het verschil kan maken. Hij heeft een boek geschreven met de mooie titel ‘De kunst van het stijgen, over sociale mobiliteit en welzijnswerk dat er toe doet’. Een zin uit het boek die mij erg aanspreekt is ‘Wie geeft zonder een tegenprestatie te verlangen, creëert passiviteit’.

En dan nog iemand: Jos van der Lans. Ik heb geboeid in de digitale Wmo Special van Zorg en Welzijn het interview met hem gelezen. Vanuit historisch perspectief pleit hij voor een overgang van welzijn naar sociaal werk. Zou dat het breekpunt zijn? Het einde van brede welzijnsorganisaties en terug naar sociaal werk wat een combinatie functie wordt van maatschappelijk werk met opbouwwerk?

En dan al die boeiende mensen die aanwezig waren tijdens de tweede netwerkborrel van de Linkedin groep WelzijnNederland. We waren met directeuren, adviseurs, zzp-ers en consultants bij elkaar. We hebben een prachtig gesprek gevoerd over de bestuurders van de toekomst. Wat heeft het welzijnswerk nodig?

Ja, wat hebben we nodig? Deze mensen hebben we zeker nodig. En waar zijn JULLIE????

Concurreren met aantrekkingskracht

Ik snap het wel dat concurreren niet zo´n leuke bezigheid is. En dat is het zeker ook niet als er concurrenten zijn die klanten of opdrachten voor jouw neus wegkapen of dit dreigen te doen. Toch is dat, ondanks alle tegenslag, wel bij uitstek het moment om eens na te denken over jouw concurrentiepositie. Hierbij de 4 stappen die je kunt zetten.

Stap 1:

Ik werk graag met het model van het Propositiehuis. Met dit model bouw je aan jouw positionering. Het fundament zit bij jouw klanten. Wie zijn jouw klanten? Wat is hun behoefte en hoe ga jij ze daarbij helpen. Als je die vragen helder kunt beantwoorden kun je de volgende stap zetten: wat jij kunt voor jouw klanten kunnen anderen ook. En wat maakt jou nu beter dan die anderen?

Stap 2:

Om die vraag te kunnen beantwoorden moet je eerst weten wie jouw concurrenten zijn. Maak daarom een inventarisatie en wees daarbij niet zuinig. Concurrenten kunnen uit de meest onverwachte hoek komen. Werk je bijvoorbeeld voor de doelgroep ouderen en biedt je hen ontmoeting en werk je ook nog in de buurt van een Ikea, dan moet je zeker de Ikea op jouw lijst zetten. Neem daar maar eens een kijkje ‘s ochtends in het restaurant en dan weet je wat ik bedoel. 

Stap 3:

En dat is precies de volgende stap die je kunt zetten: neem een kijkje bij de concurrent. Voel, proef, ruik wat jouw concurrent aan jouw klanten of opdrachtgevers biedt. Wat zijn hun sterke en zwakke punten? Welke prijzen hanteren ze? Welke producten bieden ze aan? Hoe onderhouden ze de relatie met hun klanten? Welke service bieden ze?

Stap 4:

Nu ga je het dak op jouw Propositiehuis zetten: wat maakt jou nu anders dan jouw concurrenten. Dit wordt ook wel jouw USP genoemd: Unique Selling Points. In grote lijnen zijn er drie manieren waarop je je kunt onderscheiden: op prijs, product of klantrelatie. Kijk je bijvoorbeeld naar de supermarkten dan onderscheidt de Aldi zich als prijsleider, de delicatessenzaken onderscheiden zich op de kwaliteit van hun producten en de Albert Heijn onderscheidt zich met de beste klantenservice. Voor welzijnsorganisaties lijkt het mij het meest aannemelijk dat wij ons onderscheiden in onze klantrelaties. Maar toch: als je in jouw buurthuis mensen met een laag inkomen een kop koffie kunt bieden voor 75 cent is dat natuurlijk erg aantrekkelijk. Maar bedenk dan ook even dat de koffie in de Albert Heijn gratis is en dat het daar in de koffiehoek soms ook erg gezellig kan zijn.

Zo bezig zijn met concurrentie is niet eens zo heel erg vervelend. En altijd beter dan niets doen: alleen maar klagen en zuchten over de last die we hebben van de concurrentie zorgt alleen maar voor verlamming en verlies van jouw marktpositie. Als je weet wat je jouw klanten te bieden hebt en wat jou anders maakt dan de concurrenten dan weet je wat je moet communiceren met jouw klanten. En zo win je aan aantrekkingskracht voor jouw klanten en opdrachtgevers!

Tellen en vertellen

Ik heb veel respect voor de wijze waarop de registratie in het welzijnswerk is ingevoerd. Er zal ongetwijfeld veel gemopperd zijn. Maar het resultaat mag er zijn: er is al erg veel cijfermateriaal voor handen. Nu is het tijd om goed te bedenken wat we met de cijfers gaan doen.

In mijn trends voor 2010 noemde ik het zo: “Vertrouwen wordt belangrijker dan meten: er komt in 2010 een einde aan alle overmatige aandacht voor het meten van prestaties en resultaten. Vertrouwen wordt weer belangrijk. Goede persoonlijke relaties worden weer op prijs gesteld.”

Het gaat niet om de cijfers zelf maar om het verhaal achter de cijfers. Ga maar eens voor jezelf na: waarschijnlijk schrijf je trouw ieder jaar kwartaalrapportages, een jaarverslag en natuurlijk een keurige jaarrekening. En lever je dit allemaal op tijd in bij jouw opdrachtgever, meestal de gemeente. En daarna?

In jouw opdracht stond bijvoorbeeld dat je een vrijwilligersvacaturebank moest inrichten. In de cijfers is terug te vinden dat je dat inderdaad hebt gedaan maar toch krijg je allerlei signalen dat noch ambtenaar noch wethouder ooit een kijkje heeft genomen op die mooie site waar alle vacatures overzichtelijk bij elkaar staan. Op de een of andere manier komt jouw boodschap niet over. Of het is je gelukt om drie werkloze vrouwen te activeren met vrijwilligerswerk ,maar waar kun je naast het vinkje bij de vijf kwijt dat het gaat om Ria, Ayse en Ludmila? En hun verhalen? Hoe jij ze hebt leren kennen, hoe ze jou zijn gaan vertrouwen en over hun eigen drempels zijn gestapt?

Vraag is dus hoe je bij jouw opdrachtgevers aandacht krijgt voor het verhaal achter de cijfers. Een goede relatie tussen jou en jouw opdrachtgever is dan van belang. De opdrachtgever vertrouwt jou waardoor de overmatige focus op de cijfers niet nodig is. Je mag van mij aannemen dat jouw opdrachtgever ook geen zin heeft in de cijferbrij en liever met jou de verhalen induikt. Maar dat kan hij pas doen als hij jou zodanig kan vertrouwen en weet dat het cijfermateriaal klopt.

Confusius zegt er iets moois over: “Tell me, I forget. Show me, I remember. Involve me, I understand.”. Zorg er dus voor dat jouw cijfers op orde zijn maar laat het daar niet bij. Ga een stap verder. Zorg voor goede relaties waarin wederzijds vertrouwen ruimte krijgt om te groeien. En ga dan vertellen: betrek jouw opdrachtgever bij de verhalen, betrek ze bij jouw klanten, bij jouw medewerkers. Geef jouw opdrachtgever een ervaring die hij niet gauw zal vergeten. Zoals een directeur van een grote welzijnsorganisatie afgelopen week zei: “het gaat allemaal om emotie”.

Overigens biedt deze periode uitgelezen kansen: met nieuwe wethouders en nieuwe raadsleden komt er ongetwijfeld een moment van kennismaken. Wacht nu niet af maar neem initiatief en voel je uitgedaagd om deze eerste kennismaking gelijk tot een onvergetelijke ervaring te maken.

Mag ik binnenkomen?

Welzijn Nieuwe Stijl vraagt om de Professional Nieuwe Stijl. Het Manifest “Eropaf!” beschrijft de tien kernwaarden van outreachend werken. Al lezend kwamen vanochtend mooie herinneringen boven.

Ik heb op de Sociale Academie gezeten van 1981-1985. In een hechte klas werden we opgeleid als maatschappelijk werkers. In de eerste twee jaren hebben we samen onze eigen socialisatie doorwrocht en het was dan ook niet verwonderlijk dat we dicht op elkaars huid zaten. Mijn beste vriendin was tevens klasgenoot. Toen we in het derde jaar stage gingen lopen en zij koos voor het JAC en ik voor de reclassering was dat een breuk in onze vriendschap. Kun je het voorstellen? Zij verfoeide het dat ik als maatschappelijk werker mij committeerde aan de handhavende en dus repressieve macht van justitie.

Ik op mijn beurt kon er slecht mee omgaan dat zij in die losgeslagen boel terecht kwam waar sturen op een oplossing van het probleem van de jongeren in mijn ogen niet meer was dan samen hangen op de bank met een kop koffie. Haha. Ik moet er nu om glimlachen maar geloof me, onze discussies waren erg heftig. Herkenbaar? Het manifest beschrijft in 1985 een omslagpunt. Het tijdperk van emancipatie waarbij de professional zich identificeert met de klant en er naast staat, ging over in het tijdperk van no-nonsens, er is distantie en de professional gaat meer bij de klant vandaan.

Een andere herinnering betreft de periode dat ik als bedrijfsmaatschappelijk werker bij de Belastingdienst werkte. Zo rond 1993 kwam een verschuiving in onze werkwijze. Waren we gewend om bij de klant op huisbezoek te gaan, ineens was dat niet meer zo professioneel. We nodigden ze uit op kantoor en richten daar een zitje in. Even later ontdekten we dat juist dit zitje soms voor ellenlange gesprekken zorgde. De klant ging er letterlijk eens goed voor zitten en deed zijn verhaal. Om dit voor te zijn verdwenen de zitjes en verplaatsten de gesprekken zich naar het bureau. Ik kan het nog zo voelen dat een jonge vrouw tegenover mij aan mijn bureau verstikt door verdriet over haar overleden baby alleen maar kon huilen en het mij domweg niet lukte om de afstand die ik zelf had gecreëerd te overbruggen.

Wij zijn allemaal ‘kinderen van onze tijd’. En tijden veranderen en zorgen voor nieuwe inzichten. Het Manifest beschrijft dat in 2002 een nieuwe fase is begonnen: de herontdekking van de leefwereld van de klant waarbij betrokken professionaliteit past: er op af! Wat het Manifest de moeite waard maakt is dat het ingaat op de Professional Nieuwe Stijl. Niet veroordelend maar wel richtinggevend. De basishouding voor alle professionals in de sociale sector is outreachend werken: vragen of je binnen mag komen, luisteren naar het verhaal van de klant, open en contact makend, steunend en respectvol, waar nodig hard en confronterend op de inhoud maar steeds vanuit contact met de belevingswereld van de klant, gericht op herstel van verbindingen en het versterken van netwerken waarbinnen de eigen kracht kan worden gemobiliseerd.

Ik denk dat ons dit allemaal wel zal aanspreken en past bij de uitgangspunten waarom we ooit in het vak zijn gestapt. Het besef groeit dat wij een belangrijke schakel zijn in een civil society. Wat nu belangrijk is, is dat we tijd krijgen om dit te laten rijpen en kunnen groeien in deze rol en waar nodig ondersteuning krijgen van onze organisaties. Ik zelf heb er alle vertrouwen in dat dit gaat lukken.

Trends welzijnswerk 2010

In de tijd van lijstjes en overzichten, hier mijn trends voor het welzijnswerk in 2010.

1. Vertrouwen wordt belangrijker dan meten: er komt in 2010 een einde aan alle overmatige aandacht voor het meten van prestaties en resultaten. Vertrouwen wordt weer belangrijk. Goede persoonlijke relaties worden weer op prijs gesteld.

2. Fuseren raakt uit de mode: er komt een einde aan het fusiegeweld. Welzijnsorganisaties gaan op zoek naar slimme samenwerkingsvormen. De eerste franchiseformule voor welzijnsorganisaties wordt gelanceerd.

3. Positie van vrijwilligers verandert: van lastig te positioneren doelgroep worden vrijwilligers het goud van de organisatie. Vrijwilligers eisen fatsoenlijk HRM beleid.

4. Diversiteit wordt belangrijker dan doelgroep: ouderenwerk, jongerenwerk en andere categorale werksoorten maken plaats voor diversiteit in buurten, wijken en vitale netwerken.

5. Meer ‘au’ dan ‘wauw’: het welzijnswerk focust op de pijn van haar klanten. De welzijnswerker weet waar de pijn zit en wat de behoefte van de klant is. Wij realiseren ons dat we er speciaal zijn voor die mensen die ons nodig hebben (en niet meer voor iedereen!).

6. Revival opbouwwerk: het opbouwwerk komt in een stroomversnelling van positieve energie en aandacht. We (her)ontdekken methodieken die naadloos aansluiten bij Welzijn Nieuwe Stijl.

7. Welzijnsorganisaties lanceren landelijk merk: Het eerste landelijke merk® wordt een feit. De merkwaarde is zo uitgebalanceerd dat welzijnsorganisaties massaal het merk invoeren in hun portfolio. Uiteraard is het merk beschermd en voorbehouden aan welzijnsorganisaties.

8. Social media is booming: Welzijnswerkers twitteren, bloggen, hyven en zijn te vinden op Linkedin. Via sterke sociale netwerken hervinden zij beroepstrots en laten ze zien dat ze experts zijn in sociale beweging.

9. Menselijke maat is de nieuwe moraal: en wordt belangrijker dan professionele (lees: afstandelijke) houding. De welzijnswerker Nieuwe Stijl biedt service, aandacht en een arm om de schouder.

10. Ziektepreventie wordt de derde peiler: naast participatie en zelfredzaamheid wordt ziektepreventie/gezondheidsbevordering de derde peiler van het welzijnswerk. Van meet af aan laat het welzijnswerk zien wat haar toegevoegde waarde is op dit terrein en zorgt zij voor een krachtige positionering. Vooral ‘bewegen in de wijk’ en ‘samen gezond eten’ worden speerpunten.

11. WIP: het WIP wordt opgericht, Welzijn Innovatie Platform en gaat samenwerken met ZIP, Zorg Innovatie Platform. VWS en EZ juichen dit toe en belonen het initiatief met ongekend hoge subsidies.

Een lesje Personal Branding voor welzijnswerkers

Personal Branding

Is Gijs er ook? Op mijn werk bij de Stichting Welzijn Buren is deze vraag dagelijkse kost. Even voor alle duidelijkheid: Gijs is onze cliëntondersteuner. Gijs doet het erg goed. Zijn cliënten lopen weg met hem. En dat is een prima basis om met zijn klanten resultaten te bereiken. Tevreden klanten van onze Stichting zijn in dit geval de persoonlijke verdiensten van Gijs.

In een gesprek wat ik vorige week had met een manager van een welzijnsorganisatie gaf zij aan dit wel eng te vinden. Ze had ervaren dat haar prettige relatie met haar contactpersoon bij de gemeente, leidde tot positieve resultaten voor de organisatie. Zij vond dit eng: “het kan toch niet zo zijn dat alles afhangt van een persoonlijke relatie?”.

Dat doet het dus wel en mijn dringende advies is dat we ophouden dit eng te vinden. Omdat de kwaliteit van onze diensten wordt gemaakt tijdens de interactie tussen de welzijnswerker en de klant is het vermogen van de welzijnswerker om relaties aan te gaan allesbepalend voor tevreden klanten. Dat is een lange zin om te zeggen: Welzijnswerker, jij kunt het maken of breken! Jij bent het sterkste marketingwapen waar jouw organisatie over kan beschikken. Jouw persoonlijkheid is voor veel klanten de belangrijkste reden waarom ze van de organisatie diensten afnemen.

Daar kun je slim gebruik van maken:

1. Zet jezelf actief in als boegbeeld van de organisatie voor jouw klantgroep.

2. Laat jezelf zien waar jouw klanten ook zijn.

3. Verkoop niet maar bouw aan relaties.

4. Laat zien dat je deskundig bent en weet wat de behoefte is van jouw klanten.

5. Schrijf daarover: blog, maak een hyve, wordt columnist voor de plaatselijke krant.

6. Verras jouw trouwe klanten door jezelf te overtreffen: zij zullen jouw ambassadeurs worden en nieuwe klanten aantrekken.

Managers die jullie hierin stimuleren en jullie hiervoor tijd en ruimte geven, zijn slimme managers.

Er komt een dag dat Gijs ons zal verlaten. Daar hoort uiteraard een daverend afscheidsfeest bij voor al zijn klanten. En daarna? Gewoon op zoek naar een nieuwe cliëntondersteuner. Nieuwe mensen brengen weer nieuwe kwaliteiten en nieuwe klanten. Ook dat moeten we niet eng vinden.