Mijn ideale welzijnsorganisatie

Mijn ideale welzijnsorganisatie.

Stiekem heb ik wel eens gewenst dat ik een nieuwe welzijnsorganisatie zou mogen oprichten. Gewoon vanuit het niets helemaal van onderaf opbouwen. Om alle inzichten in te kunnen stoppen en zo een voorbeeld te hebben van hoe het wel kan. Flauwekul natuurlijk want niemand heeft de wijsheid in pacht.

Zou ik overigens de boreling wel ‘welzijnsorganisatie’ willen noemen? Liefste zou ik kiezen voor een naam die gelijk duidelijk maakt aan mijn klant wat hij of zij bij mij kan halen.

De klant is voor mij de afnemer van mijn diensten, de gebruiker, dus, zoals je wilt de burger. Wat kan die klant dan bij mij halen? Hulp bij gelukkig zijn, gezond zijn, lekker wonen en sociale contacten als de klant daar zelf niet uitkomt. Ik wil gaan voor een duurzame relatie. Ik wil vooraan in de rij staan als mijn klant er zelf niet uitkomt. Als mijn klant nog jong is wil ik hem helpen te spelen met andere kinderen als hij zelf gepest wordt. Als mijn klant later zelf kinderen heeft help ik hem als hij zich zorgen maakt over de veiligheid in de buurt. Als de kinderen al de deur uit zijn en zijn partner overlijdt en hij stikt van verdriet wil ik hem helpen met zijn rouw.

Helpen is voor mij niet zijn probleem overnemen maar als een raadsman en vertrouweling terzijde te staan. Ik kan helpen door mijn klant te verbinden met zijn eigen kracht en de kracht van mensen om hem heen. De mensen om hem heen zijn familie, vrienden, buren, vrijwilligers en andere professionals.

Wie betaalt mij voor mijn hulp? Met mijn hulp lever ik waarde en die waarde kan ik vertalen in een prijs. Het liefste wil ik dat diegene die de waarde ontvangt ook zelf die prijs betaalt. Dus ik stuur een rekening naar mijn klant. Als mijn klant de waarde in verhouding tot de prijs als eerlijk ervaart zal hij de rekening betalen.

Ik zorg ervoor dat ik diensten heb ik verschillende prijsklassen. Een instapdienst zoals bijv. een teleseminar waarin ik wel 100 klanten tegelijk 7 tips kan geven hoe om te gaan met rouw. Tegen weinig kosten lever ik waarde die ik kan vertalen in een kleine prijs. Een stap verder biedt ik online hulpverlening, geen reiskosten of dure gespreksruimten dus ook dan kan ik met minder kosten nog steeds waarde leveren en een redelijke prijs vragen. Natuurlijk heb ik ook mijn high-end product: een exclusief pakket van 6 individuele hulpverleningsgesprekken, waarde voor een volle prijs. De waarde in elke vorm van diensten staat voorop!

Als mijn klant zelf niet genoeg geld heeft om de rekening te betalen zoekt mijn klant zelf naar andere manieren om toch te kunnen betalen. Misschien kan mijn klant zelf ergens waarde leveren voor een prijs waarmee hij mijn prijs weer kan betalen. Misschien kan mijn klant met mijn rekening naar de gemeente gaan en de gemeente vragen om te betalen, of de verzekering. Of kan familie de rekening betalen. Ik denk graag met mijn klant hierover mee.

Nu heb ik het steeds over ‘ik’ en als ik het heb over een nieuwe welzijnsorganisatie gaat het natuurlijk eigenlijk over ‘wij’. Dan heb ik welzijnswerkers in dienst die wellicht denken: “het zal wel met die waarde en prijs, ik wil gewoon maandelijks mijn loon”. Op dit punt begin ik te twijfelen. Hoe verbind ik loon aan waarde? Ga ik dan toch naar de gemeente en zeg ik “jij wilt gelukkige burgers, die waarde ga ik leveren maar dan moet je wel eerst de prijs op mijn rekening storten zodat ik gegarandeerd lonen kan betalen”. En wie bekommert zich daarna nog om de waarde? Of heb ik voor welzijnswerk zoals ik het hier schets helemaal geen organisatie nodig? Er zijn inmiddels steeds meer mensen die in een waarde-economie, de society 3.0, geen plek meer zien voor hiërarchische organisaties.

Kortom, de wijsheid heb ik inderdaad niet in pacht. Wel inzicht in dat het anders moet en kan. En wat is jouw idee? Hoe ziet jouw ideale welzijnsorganisatie er uit? Hieronder bij de reacties kun je jouw ideeën kwijt.

Vertrouwen [gastblog]

Gastblog: vertrouwen

Bart blogt over trend 1: “vertrouwen wordt belangrijker dan meten: er komt een einde aan alle overmatige aandacht voor het meten van prestaties en resultaten. Vertrouwen wordt weer belangrijk. Goede persoonlijke relaties worden weer op prijs gesteld.” Nog voordat Bart aan zijn conclusie begint zegt hij: “Eigenlijk registeren we dus om vertrouwen te krijgen.” Idealistische plannen krijgen vertrouwen van opdrachtgevers als je laat zien wat  je samen met klanten kunt bereiken. Mooi! Bart:

Inleiding:

Toen Anneke mij vroeg om een blog te schrijven, was ik meteen enthousiast. Ik ben geen expert op het gebied van effectregistratie, maar het geven van vertrouwen is de basis voor jongerenparticipatie. En daar weet ik wel iets van. ‘Dat komt wel goed’ dacht ik dus.

Geschiedenis

Een eerste inventarisatie op Google leverde meteen een deuk in mijn zelfvertrouwen op. De discussie over prestatiemeting in Welzijn bestaat namelijk al vanaf ver voor mijn geboorte. Vanaf de jaren 60 wordt er door professionals en beleidsmakers tevergeefs gezocht naar een goede registratiesystematiek. Meten we op resultaten (output) of op effecten (outcome)? Hoe meet je die effecten dan? Wie heeft welke bijdrage geleverd aan het resultaat? Meten we de klanttevredenheid? Gaan we mensen monitoren en welke gegevens monitoren we dan? Gaan we voor Best Practice of Best Persons? Deze blog bleek toch iets lastiger dan ik had verwacht.

Maatschappelijke trends

De maatschappelijke trends van de afgelopen jaren geven ook geen eenduidig beeld. De invoering van de WMO heeft niet overal geleid tot een toename van het vertrouwen in de Welzijnssector. De zelfredzame burger en de welzijn-nieuwe-stijl professional zijn weer verantwoordelijk voor hun eigen leven en professie, maar deze toegenomen verantwoordelijkheid betekent niet altijd dat zij ook meer vertrouwen krijgen. Veel welzijnswerkers hebben gevoel dat ze steeds vaker ter verantwoording worden geroepen door een subsidiegever. Dit gevoel zie je terug in andere maatschappelijke trends zoals de extra aandacht voor leefbaarheid en veiligheid, de politieke aandacht voor regels en het wantrouwen van ‘linkse hobby’s’. Of je vertrouwen geeft aan mensen, blijkt dus voor een groot deel af te hangen van je visie op de vraag: ‘Is participeren in de maatschappij een recht of juist een plicht?’.

Eigen netwerk

Hiermee had ik nog steeds geen antwoord op de vraag ‘wordt vertrouwen belangrijker dan meten?’. Dus ik deed wat ik mijn doelgroep probeer te leren: ‘als je er zelf niet uitkomt, dan vraag je om hulp’. Een rondje bellen en Twitteren binnen mijn netwerk leverde de volgende conclusie op: vertrouwen en meten zijn beide belangrijk. Welzijnswerkers en beleidsbepalers zijn het zowaar eens over dit onderwerp! Welzijnswerkers zijn gebaat bij vertrouwen en willen daarnaast het resultaat van hun werk laten zien. Gemeentefunctionarissen willen graag vertrouwen geven en controleren op hoofdlijnen. De vraag waar beide partijen mee worstelen is: ‘Hoe zorg je voor een effectieve registratie?’. Tegelijkertijd beseffen beiden dat cijfers niet alles zeggen. Het verhaal of de beleving van de persoon achter de cijfers is net zo belangrijk.

Waarom registreren

Waarom doen we dan zo veel moeite om effectieve registratiemethodes te vinden, als we daarnaast toch nog de ‘zachte informatie’ en de verhalen willen horen? Wat is eigenlijk het doel van registratie? Samengevat gaat het om 2 doelstellingen. Als eerste willen we de effectiviteit van verschillende sociale interventies meten om ons werk te kunnen blijven verbeteren. Ten tweede willen we op een transparante manier verantwoorden wat we doen met het geïnvesteerde belastinggeld. Eigenlijk registeren we dus om vertrouwen te krijgen.

Conclusie:

Hiermee heb ik een gedeeltelijk antwoord op de vraag ‘wordt vertrouwen belangrijker dan meten?’. Beide zijn belangrijk. Natuurlijk moeten we doorgaan met onderzoek naar effectieve registratiemethoden, maar wat doen we tot die tijd? Waardoor krijgen gemeenten vertrouwen in Welzijn. Waarom kreeg ik van de gemeente groen licht om een jongerencentrum te ontwikkelen op basis van maximale jongerenparticipatie? Die vraag heb ik gesteld aan de verantwoordelijke beleidsmedewerkers van de gemeente Zwolle: Hun antwoord: ‘Je plannen waren goed, maar we vonden ze erg idealistisch’. ‘We kregen er pas echt vertrouwen in toen je de jongeren de kans gaf om te laten zien wat ze in hun mars hebben’.

Bart Demmers is jongerenwerker bij Travers Welzijn. Met 100% jongerenparticipatie is Level-Z van de grond getild. Op hun website is te lezen dat op verzoek van de jongeren Black Ops is aangeschaft. Schijnt een gaaf spel te zijn ;-). Ben je ook jongerenwerker en ga je voor 100% jongerenparticipatie? Krijg je daarvoor het vertrouwen van je opdrachtgever? Je kunt hier reageren.

De glazen bol rond het opbouwwerk [gastblog]

Gastblog: De glazen bol rond het opbouwwerk

Deze vierde gastblog is van Teun. Teun: “Doorzeef het gerust met opmerkingen en suggesties, zeker waneer het je te pompeus wordt. Daar ben ik namenlijk erg goed in.” Gelukkig vind ik het prachtig. Ik kan het zweet van de bestuurders ruiken en het gegil vraagt om strakke actie. Benieuwd wat jullie vinden van het opbouwwerk in 2010. Want dat is de trend waar Teun over blogt: “Revival opbouwwerk: het opbouwwerk komt in een stroomversnelling van positieve energie en aandacht. We (her)ontdekken methodieken die naadloos aansluiten bij Welzijn Nieuwe Stijl.” Teun:

De glazen bol rond het opbouwwerk.

De rode lampjes op het Ministerie van Financiën begonnen ergens dit decennium te knipperen. Hoe het huishoudboekje van de staat ook voor lange termijn werd doorgerekend, steeds kwamen er megatekorten uit. De naoorlogse generatie zou, na Nederland eerst groot gemaakt te hebben, ons land via de stijgende zorgkosten ook meteen weer tot het niveau van Burundi degraderen. De oplossing: “burgers moeten voortaan voor zichzelf zorgen. En we noemen het welzijn nieuwe stijl”.

Ik houd van crises. Bestuurders met zweetplekken onder de oksels. Mensenmassa’s die gillend in het rond rennen. Het biedt kansen. Zolang je blijft nadenken en het initiatief neemt, kom je er meestal sterker uit. En het uit crisis geboren welzijn nieuwe stijl biedt oneindig veel kansen. Zeker voor onze beroepsgroep.

Cultuuromslag

Het grootste punt is namelijk dat er een cultuuromslag nodig is in de relatie tussen burgers en de overheid. Van een paternalistische, naar een relatie waarin beide gelijkwaardig zijn. Niet alleen om de zorgkosten te kunnen blijven betalen. Dat is eigenlijk maar bijzaak. Nee, het zit veel dieper. Als antwoord op de brede onvrede in de samenleving jegens de overheid, instellingen en elkaar.

Willen wij in Nederland een prettige en betaalbare samenleving houden, moet de overheid ont-regelen en moeten burgers de regie pakken. Maar hoe? Door het vermogen om zowel aan de keuken- als bestuurstafel een begrijpelijk verhaal te houden, is de opbouwwerker bij uitstek geschikt als begeleider van het proces richting nieuwe verhoudingen.

Dit is echt dé kans van de eeuw om de opbouwwerker in een sleutelpositie te manoeuvreren. Iemand die door in de periferie te bewegen allerlei slimme en ‘goedkope’ structuren tot stand brengt. Structuren waardoor de noodzakelijke cultuuromslag bij burgers en de overheid vorm en inhoud krijgt. Dat vergt ondernemerschap. Dat vergt een rugzak vol methodieken. Dat vergt sterke mensen. Klassiek opbouwwerk. Niets meer en niets minder.

Heeft het opbouwwerk deze kans gepakt in 2010?

Tot voor kort liet de beroepsgroep deze handschoen te vaak op de grond liggen. Veel opbouwwerkers waren nog niet doordrongen van het besef dat zij deze kritieke plek kunnen –en moeten- innemen. Vroeg je waarom niet, dan hoorde je de bekende beren op de weg. “Mijn manager, de gemeente, de beschikbare uren.” Maar eigenlijk zeiden ze dan: “ik acht mijzelf niet bij machte om deze rol waar te kunnen maken.”

Als ik de situatie in lekkere ‘healing’ termen zou moeten omschrijven, dan zat de beroepsgroep in een fase waar zij nog niet volledig in contact stond met haar ‘hogere ik’. De fase van ‘in je kracht staan’, lak hebben aan gangbare denkbeelden en totaal een zijn met je opdracht binnen de maatschappij.

In de loop van 2010 kwamen er scheuren in de glazen bol rond het opbouwwerk. Hier en daar vielen er stukken glas op de grond. Er is een kopgroep ontstaan van vrijdenkers die intensief informatie uitwisselt over het vak, elkaar uitdaagt en plezier uitstraalt. De beroepsvereniging heeft radicaal gebroken met de oude structuur. En op bijeenkomsten in het land hoor je steeds vaker een opbouwwerker met een eigenwijs geluid.

Het komt allemaal niet uit de lucht vallen. Het is een uiting van een brede wens om uit de eigen schaduw te stappen. Om de regie weer te veroveren en voorop te lopen in de renovatie van het sociaal werk. De geest is uit de fles. Daarom denk ik dat we 2011 gaan herinneren als een goed jaar. Het jaar dat opbouwwerkers elkaar op sleeptouw nemen en hun kracht hervinden, met als prettig gevolg dat zij hun ‘klanten’ ook in hun kracht kunnen zetten.

Teun Hofmeijer is opbouwwerker. “Als opbouwwerker werk ik aan ‘gezonde’ buurten, wijken en steden. Waar een architect gebouwen (her)ontwerpt, is de gemeenschap het gebouw waar ik aan werk.” Hij werkt bij Impuls in Oldenzaal en is bestuurslid van Community Development 2.0, Beroepsvereniging voor opbouwwerkers en andere wijkontwikkelaars (#code20).

Meer gastblogs lezen de komende dagen? Meld je dan even aan voor de mailinglijst.

Boren en gaten in zorg en welzijn

Afgelopen week heb ik kennisgemaakt met Pascal van Wanrooy van Alleato. Leuke vent. Aanleiding voor het gesprek is mijn bijdrage op 24 juni aan het congres van Alleato over web 2.0. We kregen een erg boeiend gesprek over de Professional Nieuwe Stijl. En over het delen van kennis. En over de vraag achter de vraag die eigenlijk nog weer achter de vraag ligt.

Vooral dat was voor mij een eyeopener en deed mij denken aan het verhaal van Jos Burgers over boren en gaten. Hier mijn versie van het verhaal:

Een klusser komt bij de doe-het-zelf winkel en vraagt de verkoper naar een boor. Hoera! De verkoper, een echte borenspecialist, pakt breed uit. Voor het boren in hout heb je houtboren. Die zijn er in verschillende afmetingen. Dan zijn er ook speciale boren wanneer je in beton moet boren. De verkoper trekt alle laden open en vertelt de klant uitvoerig over alle boren in zijn assortiment. Op het moment dat de verkoper even de tijd neemt om zijn klant aan te kijken ziet hij dat het helemaal mis is: de klant lijkt niet geïnteresseerd en lijkt de winkel te willen verlaten. Gelukkig heeft de verkoper ooit een goede training gevolgd en nog net op tijd stelt hij zijn klant de volgende vraag: waarvoor heeft u de boor eigenlijk nodig? En dan kan de klant vertellen over zijn gat. Hij wil een gat om het schilderij te kunnen ophangen dat hij heeft gekregen van zijn overleden opa. Het schilderij is hem erg dierbaar en verdient een mooi plekje in huis. Vervolgens ontstaat een fijn gesprek over schilderijen en opa’s en natuurlijk gaat de klant tevreden met een boor de winkel uit.

Dus we moeten op zoek naar de gaten van onze klanten. En dat is best een lastige opgave. Vooral als je een productenboek hebt met veel mooie diensten, producten en activiteiten die je graag aan de man wilt brengen. Hierbij een paar tips om het jullie wat makkelijker te maken:

  • Het belangrijkste wat jij jouw klant* kunt geven is aandacht. En dan bedoel ik niet zozeer jouw professionele aandacht maar gewoon menselijke aandacht.
  • Luister en probeer te horen wat de behoefte ofwel het probleem is van jouw klant: hier komt jouw professionaliteit om de hoek kijken.
  • Geef jouw indrukken terug aan de klant zodat je samen vast kunt stellen wat de behoefte ofwel het probleem van jouw klant is.
  • Bespreek dan met jouw klant wat jullie samen kunnen doen om zijn probleem op te lossen.
  • Stel je in op het delen van jouw kennis met de klant.
  • Wees niet bang als blijkt dat jouw klant voldoende heeft aan wat lichte ondersteuning: jouw rol is dan wellicht kleiner als jij jezelf had voorgesteld maar het gaat hier echt om jouw klant en niet om jou.
  • Blijf aandacht geven zodat je ook op het moment dat jouw klant zijn probleem heeft opgelost dit samen kunt vieren.

*Klant: lees eindgebruiker, opdrachtgever, financier

Het inzetten van web 2.0 past hier prima bij. Meer daarover natuurlijk op 24 juni bij Alleato. Tot dan! (ook te volgen op twitter, hashtag kun je opvragen bij Pascal of volgen in mijn twitterlijn twitter.com/annekekrakers).

Tellen en vertellen

Ik heb veel respect voor de wijze waarop de registratie in het welzijnswerk is ingevoerd. Er zal ongetwijfeld veel gemopperd zijn. Maar het resultaat mag er zijn: er is al erg veel cijfermateriaal voor handen. Nu is het tijd om goed te bedenken wat we met de cijfers gaan doen.

In mijn trends voor 2010 noemde ik het zo: “Vertrouwen wordt belangrijker dan meten: er komt in 2010 een einde aan alle overmatige aandacht voor het meten van prestaties en resultaten. Vertrouwen wordt weer belangrijk. Goede persoonlijke relaties worden weer op prijs gesteld.”

Het gaat niet om de cijfers zelf maar om het verhaal achter de cijfers. Ga maar eens voor jezelf na: waarschijnlijk schrijf je trouw ieder jaar kwartaalrapportages, een jaarverslag en natuurlijk een keurige jaarrekening. En lever je dit allemaal op tijd in bij jouw opdrachtgever, meestal de gemeente. En daarna?

In jouw opdracht stond bijvoorbeeld dat je een vrijwilligersvacaturebank moest inrichten. In de cijfers is terug te vinden dat je dat inderdaad hebt gedaan maar toch krijg je allerlei signalen dat noch ambtenaar noch wethouder ooit een kijkje heeft genomen op die mooie site waar alle vacatures overzichtelijk bij elkaar staan. Op de een of andere manier komt jouw boodschap niet over. Of het is je gelukt om drie werkloze vrouwen te activeren met vrijwilligerswerk ,maar waar kun je naast het vinkje bij de vijf kwijt dat het gaat om Ria, Ayse en Ludmila? En hun verhalen? Hoe jij ze hebt leren kennen, hoe ze jou zijn gaan vertrouwen en over hun eigen drempels zijn gestapt?

Vraag is dus hoe je bij jouw opdrachtgevers aandacht krijgt voor het verhaal achter de cijfers. Een goede relatie tussen jou en jouw opdrachtgever is dan van belang. De opdrachtgever vertrouwt jou waardoor de overmatige focus op de cijfers niet nodig is. Je mag van mij aannemen dat jouw opdrachtgever ook geen zin heeft in de cijferbrij en liever met jou de verhalen induikt. Maar dat kan hij pas doen als hij jou zodanig kan vertrouwen en weet dat het cijfermateriaal klopt.

Confusius zegt er iets moois over: “Tell me, I forget. Show me, I remember. Involve me, I understand.”. Zorg er dus voor dat jouw cijfers op orde zijn maar laat het daar niet bij. Ga een stap verder. Zorg voor goede relaties waarin wederzijds vertrouwen ruimte krijgt om te groeien. En ga dan vertellen: betrek jouw opdrachtgever bij de verhalen, betrek ze bij jouw klanten, bij jouw medewerkers. Geef jouw opdrachtgever een ervaring die hij niet gauw zal vergeten. Zoals een directeur van een grote welzijnsorganisatie afgelopen week zei: “het gaat allemaal om emotie”.

Overigens biedt deze periode uitgelezen kansen: met nieuwe wethouders en nieuwe raadsleden komt er ongetwijfeld een moment van kennismaken. Wacht nu niet af maar neem initiatief en voel je uitgedaagd om deze eerste kennismaking gelijk tot een onvergetelijke ervaring te maken.

Mag ik binnenkomen?

Welzijn Nieuwe Stijl vraagt om de Professional Nieuwe Stijl. Het Manifest “Eropaf!” beschrijft de tien kernwaarden van outreachend werken. Al lezend kwamen vanochtend mooie herinneringen boven.

Ik heb op de Sociale Academie gezeten van 1981-1985. In een hechte klas werden we opgeleid als maatschappelijk werkers. In de eerste twee jaren hebben we samen onze eigen socialisatie doorwrocht en het was dan ook niet verwonderlijk dat we dicht op elkaars huid zaten. Mijn beste vriendin was tevens klasgenoot. Toen we in het derde jaar stage gingen lopen en zij koos voor het JAC en ik voor de reclassering was dat een breuk in onze vriendschap. Kun je het voorstellen? Zij verfoeide het dat ik als maatschappelijk werker mij committeerde aan de handhavende en dus repressieve macht van justitie.

Ik op mijn beurt kon er slecht mee omgaan dat zij in die losgeslagen boel terecht kwam waar sturen op een oplossing van het probleem van de jongeren in mijn ogen niet meer was dan samen hangen op de bank met een kop koffie. Haha. Ik moet er nu om glimlachen maar geloof me, onze discussies waren erg heftig. Herkenbaar? Het manifest beschrijft in 1985 een omslagpunt. Het tijdperk van emancipatie waarbij de professional zich identificeert met de klant en er naast staat, ging over in het tijdperk van no-nonsens, er is distantie en de professional gaat meer bij de klant vandaan.

Een andere herinnering betreft de periode dat ik als bedrijfsmaatschappelijk werker bij de Belastingdienst werkte. Zo rond 1993 kwam een verschuiving in onze werkwijze. Waren we gewend om bij de klant op huisbezoek te gaan, ineens was dat niet meer zo professioneel. We nodigden ze uit op kantoor en richten daar een zitje in. Even later ontdekten we dat juist dit zitje soms voor ellenlange gesprekken zorgde. De klant ging er letterlijk eens goed voor zitten en deed zijn verhaal. Om dit voor te zijn verdwenen de zitjes en verplaatsten de gesprekken zich naar het bureau. Ik kan het nog zo voelen dat een jonge vrouw tegenover mij aan mijn bureau verstikt door verdriet over haar overleden baby alleen maar kon huilen en het mij domweg niet lukte om de afstand die ik zelf had gecreëerd te overbruggen.

Wij zijn allemaal ‘kinderen van onze tijd’. En tijden veranderen en zorgen voor nieuwe inzichten. Het Manifest beschrijft dat in 2002 een nieuwe fase is begonnen: de herontdekking van de leefwereld van de klant waarbij betrokken professionaliteit past: er op af! Wat het Manifest de moeite waard maakt is dat het ingaat op de Professional Nieuwe Stijl. Niet veroordelend maar wel richtinggevend. De basishouding voor alle professionals in de sociale sector is outreachend werken: vragen of je binnen mag komen, luisteren naar het verhaal van de klant, open en contact makend, steunend en respectvol, waar nodig hard en confronterend op de inhoud maar steeds vanuit contact met de belevingswereld van de klant, gericht op herstel van verbindingen en het versterken van netwerken waarbinnen de eigen kracht kan worden gemobiliseerd.

Ik denk dat ons dit allemaal wel zal aanspreken en past bij de uitgangspunten waarom we ooit in het vak zijn gestapt. Het besef groeit dat wij een belangrijke schakel zijn in een civil society. Wat nu belangrijk is, is dat we tijd krijgen om dit te laten rijpen en kunnen groeien in deze rol en waar nodig ondersteuning krijgen van onze organisaties. Ik zelf heb er alle vertrouwen in dat dit gaat lukken.

Trends welzijnswerk 2010

In de tijd van lijstjes en overzichten, hier mijn trends voor het welzijnswerk in 2010.

1. Vertrouwen wordt belangrijker dan meten: er komt in 2010 een einde aan alle overmatige aandacht voor het meten van prestaties en resultaten. Vertrouwen wordt weer belangrijk. Goede persoonlijke relaties worden weer op prijs gesteld.

2. Fuseren raakt uit de mode: er komt een einde aan het fusiegeweld. Welzijnsorganisaties gaan op zoek naar slimme samenwerkingsvormen. De eerste franchiseformule voor welzijnsorganisaties wordt gelanceerd.

3. Positie van vrijwilligers verandert: van lastig te positioneren doelgroep worden vrijwilligers het goud van de organisatie. Vrijwilligers eisen fatsoenlijk HRM beleid.

4. Diversiteit wordt belangrijker dan doelgroep: ouderenwerk, jongerenwerk en andere categorale werksoorten maken plaats voor diversiteit in buurten, wijken en vitale netwerken.

5. Meer ‘au’ dan ‘wauw’: het welzijnswerk focust op de pijn van haar klanten. De welzijnswerker weet waar de pijn zit en wat de behoefte van de klant is. Wij realiseren ons dat we er speciaal zijn voor die mensen die ons nodig hebben (en niet meer voor iedereen!).

6. Revival opbouwwerk: het opbouwwerk komt in een stroomversnelling van positieve energie en aandacht. We (her)ontdekken methodieken die naadloos aansluiten bij Welzijn Nieuwe Stijl.

7. Welzijnsorganisaties lanceren landelijk merk: Het eerste landelijke merk® wordt een feit. De merkwaarde is zo uitgebalanceerd dat welzijnsorganisaties massaal het merk invoeren in hun portfolio. Uiteraard is het merk beschermd en voorbehouden aan welzijnsorganisaties.

8. Social media is booming: Welzijnswerkers twitteren, bloggen, hyven en zijn te vinden op Linkedin. Via sterke sociale netwerken hervinden zij beroepstrots en laten ze zien dat ze experts zijn in sociale beweging.

9. Menselijke maat is de nieuwe moraal: en wordt belangrijker dan professionele (lees: afstandelijke) houding. De welzijnswerker Nieuwe Stijl biedt service, aandacht en een arm om de schouder.

10. Ziektepreventie wordt de derde peiler: naast participatie en zelfredzaamheid wordt ziektepreventie/gezondheidsbevordering de derde peiler van het welzijnswerk. Van meet af aan laat het welzijnswerk zien wat haar toegevoegde waarde is op dit terrein en zorgt zij voor een krachtige positionering. Vooral ‘bewegen in de wijk’ en ‘samen gezond eten’ worden speerpunten.

11. WIP: het WIP wordt opgericht, Welzijn Innovatie Platform en gaat samenwerken met ZIP, Zorg Innovatie Platform. VWS en EZ juichen dit toe en belonen het initiatief met ongekend hoge subsidies.

Twittert u al?

Afgelopen week was ik op een erg leuk congres: Slimmer werken 2.0. Ik wil u er graag iets over vertellen want ik denk dat het welzijnswerk nog wat meer 2.0 kan worden. Gezien de omvang van deze blog doe ik dat beknopt en wat adhoc maar via de links wijs ik u verder de weg en kunt u een en ander verbinden.

Een van de sprekers is Martijn Aslander. Martijn is de Nederlandse pionier op het terrein van lifehacking. Lifehacking gaat er volgens hem over hoe je meer doet, in minder tijd met minder stress, zodat je slim kunt bewegen in de informatie en netwerksamenleving. Om te kunnen netwerken maak je gebruik van slimme tools zoals netwerksites LinkedIn en Hyves maar ook Twitter en het allerniewste Poken.

Een andere spreker is Mark Veldpape. Hij schetst de ontwikkeling van een nieuwe economische orde mede onder invloed van de recessie. Toegevoegde waarde wordt belangrijker dan winst. Mensen worden belangrijker dan cijfers. We bewegen ons van een financieel economische orde naar een sociaal economische orde. Ieder mens heeft waarde. Dus iedereen kan meedoen.

Ik heb zelf al eerder geconstateerd dat binnen het concept van web 2.0 de term ‘social’ vaak voorkomt. Zo heb ik John Beckers ontmoet in een discussie over social marketing (even scrollen om de discussie tussen John en mij te lezen). Daarin sluit ik af met de suggestie dat welzijnsorganisaties hun klanten kunnen opzoeken op netwerksites zoals hyves. Dit is een enorme krachtige bron voor klantcontacten. Ik ben benieuwd welke welzijnsorganisatie dit al doet.

Maar naast het gebruik maken van bestaande netwerken kunnen we ook zelf onze eigen netwerken creëren. De portal welzijnnederland.nl is ontstaan vanuit het idee dat het internet iedereen met iedereen verbindt en mijn wens dat welzijnsorganisaties zich meer met elkaar verbinden. Dat zorgt voor een krachtige profilering vanuit een sterk netwerk. Daardoor kunnen wij ook slimmer werken. Welzijnsorganisaties die nog niet meedoen met een kosteloze vermelding kunnen zich eenvoudig aanmelden. 

Onlangs heb ik kennis gemaakt met Negin van den Berg – Shayanfar, opbouwwerker in Utrecht. Zij gaf aan behoefte te hebben aan netwerkbijeenkomsten van vakgenoten om met elkaar van gedachten te wisselen. Uit het onderzoek van MOVISIE onder frontliniewerkers naar de ervaring met de Wmo komt een vergelijkbaar resultaat: welzijnswerkers hebben behoefte aan eigen netwerken om ervaringen uit te wisselen. Mijn concrete voorstel is dat we gebruik maken van slim netwerken: ik nodig iedereen uit in mijn LinkedIn netwerk. Stuur mij even een mailtje en je ontvangt per omgaande mijn uitnodiging. Ook kun je mij sinds kort vinden op Twitter. Daar is het nu nog wat eenzaam dus fijn als jullie je willen aanmelden.

Liep ik er vroeger op vergelijkbare congressen wat verloren bij, dit keer was dat zeker anders. Door de nieuwe aandacht voor ‘softe’ waarden en netwerken kan het welzijnswerk volop meedoen. Ik heb veel leuke ontmoetingen gehad (even ‘gepokend’) en daaruit vloeien nu de nodige contacten voort. Een ervan noem  ik hier graag: Jurgen Scholten die het plan heeft om in korte tijd 60(!) zorgboerderijen te starten. Nieuwsgierig naar zijn plan? Neemt u gerust contact met hem op.

Nog een laatste tip: congreslocatie was MediaPlaza in Utrecht. Congresinitiatiefnemer is het programma Nederland Digitaal in Verbinding. Een door het ministerie van EZ gesubsidieerd programma waardoor het congres ook zomaar gratis was. Er volgen nog meer congressen dus houdt de agenda in de gaten. Wellicht kunnen we met elkaar daar dan in levende lijve ‘twitteren’.